ECLI:NL:RBDHA:2024:384
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde op 12 januari 2024 het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
De maatregel van bewaring was reeds eerder getoetst in een uitspraak van 5 december 2023, waardoor de rechtbank zich in deze zaak beperkte tot de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring sinds 1 december 2023.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Marokko. Er was concreet zicht op uitzetting, onder meer door een vertrekgesprek, schriftelijke rappels op de laissez-passer-aanvraag en een geboekte vlucht met escorts. Het verweer dat nog geen laissez-passer was afgegeven, faalde.
Verder vond de rechtbank de stelling van eiser dat een lichter middel zoals een wekelijkse meldplicht volstaat onvoldoende onderbouwd. Daarom was er geen grond voor opheffing van de bewaring of oplegging van een lichter middel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.