ECLI:NL:RBDHA:2024:3846
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming verzoeker
Verzoeker was tijdelijk beschermd op grond van een besluit van 7 februari 2024, waarin werd meegedeeld dat deze bescherming zou eindigen na 4 maart 2024. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke beschermingsstatus en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat de tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zou eindigen en het beroep niet tijdig kon worden behandeld. Het belang van verzoeker om de bescherming te behouden weegt zwaarder dan het belang van verweerder om de voorzieningen onmiddellijk te beëindigen.
Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen door het bestreden besluit te schorsen totdat op het beroep is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het beroep is beslist en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.