ECLI:NL:RBDHA:2024:386

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2024
Publicatiedatum
16 januari 2024
Zaaknummer
NL24.288
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 8:67 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met Algerijnse nationaliteit ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 1 september 2023 was opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was eerder getoetst in een uitspraak van 13 december 2023, zodat nu alleen het voortduren sinds dat moment werd beoordeeld.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Algerije. Er was een laissez-passer verstrekt, een vluchtakkoord tot stand gekomen en een vlucht met escorts geboekt voor 31 januari 2024. Eiser werkte niet volledig mee aan zijn terugkeer, onder meer door niet te verschijnen bij een geplande presentatie bij de Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank zag geen aanleiding om de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te laten vallen, mede omdat eiser eerder verklaarde de Marokkaanse nationaliteit te hebben en de langere duur van de bewaring daardoor voor zijn rekening komt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.288
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 september 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2024 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen in het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij het voortduren van de maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 13 december 2023 in de zaak NL23.37694. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 december 2023 rechtmatig is.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat er concreet zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Verweerder heeft in de onderhavige beoordelingsperiode op 28 december 2023 en 3 januari 2024 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Daarnaast heeft verweerder op 12 december 2023 en 2 januari 2024 schriftelijk gerappelleerd op de laissez-passer (lp)-aanvraag. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder, onder verwijzing naar de schriftelijke verklaring van 9 januari 2024 van de Algerijnse ambassade, naar voren gebracht dat de Algerijnse autoriteiten eisers nationaliteit en identiteit hebben bevestigd, met dien verstande dat eiser onder een andere naam bij de Algerijnse autoriteiten bekend is. Het betoog van eiser dat de verklaring van vorig jaar zou zijn slaagt niet, nu er geen aanknopingspunten zijn dat de vermelde datum niet juist zou zijn. Verder heeft de gemachtigde van verweerder naar voren gebracht dat er inmiddels een lp is verstrekt, dat er een vluchtakkoord is tot stand gekomen en dat er een vlucht met escorts voor eiser is geboekt voor 31 januari 2024. Daarnaast is gebleken dat er op 11 januari 2024 een presentatie in persoon gepland stond bij de Algerijnse autoriteiten en dat eiser daar niet aan heeft willen meewerken.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding om de belangenafweging op dit moment in het voordeel van eiser uit te laten vallen. Eiser heeft eerder zelf verklaard dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft, waardoor verweerder eerst heeft ingezet op terugkeer naar Marokko. Gelet hierop dient de langere duur van de bewaring voor rekening en risico van eiser te komen. De rechtbank acht in dit verband ook van belang dat eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn terugkeer, dat er reeds een vluchtakkoord tot stand is gekomen en dat er een vlucht is geboekt.
5. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Dat eiser niet wil meewerken aan zijn terugkeer naar Algerije omdat hij vreest te worden vermoord, betreft een asielgerelateerd motief dat in deze onderhavige procedure niet ter beoordeling staat.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2024 door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.