ECLI:NL:RBDHA:2024:3865
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- A.M. Brakel
- A. Emmens
- M. de Kleine
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige naar Polen bij internationale kinderontvoering
De vader verzoekt de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind naar Polen, waar het kind met de moeder woonde en gezamenlijk gezag werd uitgeoefend. De moeder had het kind zonder toestemming meegenomen naar Nederland en asiel aangevraagd.
De rechtbank stelt vast dat Polen de gewone verblijfplaats van het kind was en dat de vasthouding in Nederland ongeoorloofd is volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder betoogt dat de vader het gezag niet daadwerkelijk uitoefende en dat terugkeer het kind in gevaar brengt, maar deze bezwaren worden niet voldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat de weigeringsgronden van artikel 13 lid 1 sub a en Pro b en artikel 20 van Pro het Verdrag niet van toepassing zijn. De terugkeer wordt gelast uiterlijk 5 april 2024. Het verzoek tot voorlopige voogdij wordt afgewezen omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de moeder zich aan de teruggeleiding zal onttrekken. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Polen uiterlijk 5 april 2024 en wijst het verzoek tot voorlopige voogdij af.