ECLI:NL:RBDHA:2024:3984
Rechtbank Den Haag
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feiten in bestuursrechtelijke griffierechtkwestie
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak waarin het verzet tegen niet-ontvankelijkheid wegens niet tijdige betaling van het griffierecht ongegrond werd verklaard. Het verzoek tot herziening is gebaseerd op artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat herziening mogelijk maakt indien nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren, tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
De rechtbank heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die pas na de uitspraak bekend zijn geworden en die de eerdere beslissing zouden kunnen wijzigen. Verzoeker stelde dat hij in eerdere procedures bij hogere instanties al vrijstelling van griffierecht had gekregen, maar dit is onvoldoende om de herziening te rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukt dat voor elke individuele bestuursrechtelijke procedure een afzonderlijk beroep op betalingsonmacht binnen de gestelde termijn moet worden gedaan. Het eerdere succes in andere procedures doet hier niet aan af. Het verzoek wordt daarom als ongegrond afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.