ECLI:NL:RBDHA:2024:3984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
22 maart 2024
Zaaknummer
23/2234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feiten in bestuursrechtelijke griffierechtkwestie

Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak waarin het verzet tegen niet-ontvankelijkheid wegens niet tijdige betaling van het griffierecht ongegrond werd verklaard. Het verzoek tot herziening is gebaseerd op artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat herziening mogelijk maakt indien nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren, tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

De rechtbank heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die pas na de uitspraak bekend zijn geworden en die de eerdere beslissing zouden kunnen wijzigen. Verzoeker stelde dat hij in eerdere procedures bij hogere instanties al vrijstelling van griffierecht had gekregen, maar dit is onvoldoende om de herziening te rechtvaardigen.

De rechtbank benadrukt dat voor elke individuele bestuursrechtelijke procedure een afzonderlijk beroep op betalingsonmacht binnen de gestelde termijn moet worden gedaan. Het eerdere succes in andere procedures doet hier niet aan af. Het verzoek wordt daarom als ongegrond afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2234
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2024 op het verzoek om herziening van

[verzoeker], verzoeker

Procesverloop

1. Verzoeker heeft bij brief van 21 maart 2023 gevraagd om herziening van de uitspraak op verzet van deze rechtbank van 17 maart 2023 (SGR 22/7902) op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In die uitspraak heeft deze rechtbank het verzet tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep wegens niet tijdig betaling van het griffierecht ongegrond verklaard omdat verzoeker niet binnen de gestelde betalingstermijn een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan.
2. De rechtbank heeft het verzoek om herziening op 20 december 2023 op zitting behandeld. Verzoeker heeft hieraan deelgenomen.

Overwegingen

3. Op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden.
4. Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld. De herzieningsprocedure biedt de mogelijkheid om een uitspraak, ondanks dat deze onherroepelijk is, te herzien uitsluitend indien – kort weergegeven – voor die uitspraak doorslaggevende feiten in de procedure die tot die uitspraak leidde niet konden worden aangevoerd. Het bijzondere rechtsmiddel dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist, naar aanleiding van die uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.
5. Verzoeker stelt in de kern dat hij in eerdere procedures bij hogere rechtsinstanties al vrijstelling heeft gekregen van het betalen van het griffierecht en dit daarom ook in deze procedure zou moeten gelden. Het verzet is daarom ten onrechte ongegrond verklaard.
6. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker met hetgeen hij heeft aangevoerd niet heeft voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119 van Pro de Awb. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die pas na de uitspraak op het verzet bekend zijn geworden en die tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. De rechtbank overweegt in dat kader dat er strenge eisen gelden voor het verkrijgen van een vrijstelling van het betalen van griffierecht. Een van die eisen is dat er binnen de gestelde betalingstermijn een beroep op betalingsonmacht moet zijn ontvangen. Dit geldt voor elke individuele beroepszaak die bij de bestuursrechter aanhangig wordt gemaakt. Dat eiser in eerdere procedures al een geslaagd beroep op betalingsonmacht zou hebben gedaan, doet dan ook niet ter zake.
7. Het verzoek dient als ongegrond te worden afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.