ECLI:NL:RBDHA:2024:4054
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense verzoeker
Verzoeker, een Oekraïense onderdaan, kreeg tijdelijke bescherming die volgens het bestreden besluit van 7 februari 2024 zou eindigen per 4 maart 2024. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij gedurende de beroepsprocedure zijn tijdelijke beschermingsstatus en de daaraan verbonden voorzieningen behoudt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was, omdat het beroep niet kan worden afgerond voordat de tijdelijke bescherming eindigt. Gezien het aantal en de aard van de beroepsgronden weegt het belang van verzoeker om de bescherming te behouden zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om deze per 4 maart 2024 te beëindigen.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen door het bestreden besluit te schorsen totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter zonder zitting en is definitief, hoger beroep of verzet is niet mogelijk. De zaak betreft toepassing van de tijdelijke beschermingsrichtlijn voor ontheemden uit Oekraïne conform EU-regelgeving.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.