ECLI:NL:RBDHA:2024:4133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 februari 2024
Publicatiedatum
26 maart 2024
Zaaknummer
NL23.34619
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing visumaanvraag kort verblijf

Eiser, houder van de Turkse nationaliteit en voormalig houder van een niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning in Nederland, heeft in 2023 bij de Nederlandse ambassade in Ankara een visum kort verblijf aangevraagd. Deze aanvraag werd op 22 juni 2023 afgewezen. Eiser maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, welke werd afgewezen. Vervolgens stelde hij beroep in tegen het besluit tot afwijzing van zijn bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn verblijf niet heeft aangetoond en bovendien geen bezwaargronden heeft ingediend. Hoewel eiser stelde dat hem een hersteltermijn had moeten worden geboden, wees de rechtbank erop dat deze termijn reeds was verstrekt in een brief van 19 september 2023. Verweerder mocht het bezwaar inhoudelijk beoordelen en het kennelijk ongegrond verklaren zonder hoorzitting.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst teruggaaf van griffierecht af en kent geen proceskostenvergoeding toe. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.34619
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Raak).

Inleiding

Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft in Nederland een verblijfsvergunning niet- tijdelijk humanitair gehad, geldig van 21 december 2017 tot 21 december 2022. Eiser is op enig moment uit Nederland vertrokken.
In 2023 heeft eiser bij de Nederlandse ambassade in Ankara (Turkije) een visum kort verblijf aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 22 juni 2023 (uitgereikt op
7 juli 2023) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder het nummer NL23.28271.
Bij besluit van 27 oktober 2023 (het bestreden besluit) is eisers bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder het nummer NL23.34619.
Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb wordt het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. Bij uitspraak van 29 februari 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het beroep is niet op zitting behandeld omdat partijen op voorhand toestemming hebben gegeven de zaak buiten zitting af te doen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten (artikel 57, eerste en derde lid, van de Awb).

Overwegingen en oordeel van de rechtbank

1. De visumaanvraag is afgewezen omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn verblijf in Nederland niet heeft aangetoond. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar hij heeft geen bezwaargronden ingediend. Daarom is eiser niet gehoord in bezwaar en is zijn bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem een zogenoemde herstel verzuim termijn had moeten bieden om zijn bezwaargronden in te dienen. De rechtbank overweegt dat deze termijn eiser is geboden in de brief van 19 september 2023. Daarin staat namelijk onder meer:
“Op uw verzoek doe ik u hierbij de stukken toekomen die ten grondslag liggen aan de weigering van het visum kort verblijf. Ik geef u, naar aanleiding van uw verzoek hiertoe, een termijn van drie weken de tijd (gerekend vanaf de datum van deze brief) om de gronden van het bezwaarschrift aan te vullen.”
4. Omdat eiser geen bezwaargronden heeft ingediend, had verweerder volgens eiser zijn bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van kennelijk ongegrond. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb een bezwaar niet-ontvankelijk
kanworden verklaard als er – bijvoorbeeld – geen bezwaargronden zijn ingediend. Verweerder mocht er dus ook voor kiezen het bezwaar inhoudelijk te beoordelen en dat is wat verweerder heeft gedaan. Aangezien er geen bezwaargronden waren ingediend, mocht verweerder afzien van een hoorzitting en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren.1

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
1. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Hak, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 februari 2024

Documentcode: [documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.