ECLI:NL:RBDHA:2024:4155

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
26 maart 2024
Zaaknummer
NL24.9626
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, met de Ethiopische nationaliteit, is op 4 maart 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan. De rechtbank heeft het beroep schriftelijk behandeld en het onderzoek gesloten op 13 maart 2024.

De rechtbank stelt vast dat de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het concrete aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico op onttrekking aan toezicht, niet zijn betwist door eiser. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat zowel zware als lichte gronden aanwezig zijn die de bewaring rechtvaardigen. De medische omstandigheden van eiser zijn betrokken in de belangenafweging, waarbij is overwogen dat passende medische zorg beschikbaar is in het detentiecentrum.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat verweerder onvoldoende voortvarend zou handelen bij de uitzetting. De rechtbank oordeelt dat verweerder adequaat en tijdig heeft gehandeld, met onder meer een vertrekgesprek, een claimverzoek aan Duitse autoriteiten en een overdrachtsbesluit binnen korte tijd na oplegging van de maatregel.

De ambtshalve toetsing leidt niet tot een oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9626

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 11 maart 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 13 maart 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 13 maart 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Ethiopische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb [2] , als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarnaast voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen.
4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, mede gelet op zijn geestelijke omstandigheden. Daarnaast is niet bekend of er na de inbewaringstelling enige uitzettingshandelingen hebben plaatsgevonden. Daardoor heeft verweerder sindsdien onvoldoende voortvarend gehandeld om de bewaring zo kort mogelijk te laten duren.
5. Gelet op de niet betwiste gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht is. Daarnaast blijkt uit de maatregel van bewaring dat verweerder de medische situatie van eiser heeft betrokken bij zijn afweging om al dan niet een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft in dat verband overwogen dat ook voor mensen met medische klachten medische zorg beschikbaar is in het detentiecentrum. Ook heeft verweerder overwogen dat er op het moment van het opleggen van de maatregel geen concrete aanleiding was om te oordelen dat eiser detentieongeschikt was. Verweerder heeft dan ook de juiste individuele belangenafweging gemaakt. Verweerder hoefde daarom niet te volstaan met de toepassing van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting uit Nederland. Eiser is op 4 maart 2024 in bewaring gesteld. Op 7 maart 2024 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden met eiser. Op 8 maart 2024 heeft verweerder een claimverzoek verstuurd aan de Duitse autoriteiten en op 11 maart 2024 hebben de Duitse autoriteiten dat claimverzoek aanvaard. Daarnaast heeft verweerder op 13 maart 2024 een overdrachtsbesluit genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door het uitvoeren van de hiervoor weergegeven uitzettingshandelingen voldoende voortvarend gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig
was. [3]
8. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.