Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak is door eiser beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is op 11 maart 2024 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkt tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht heeft op schadevergoeding.
De rechtbank stelt vast dat de zware gronden voor de bewaring, waaronder het bestaan van een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico op onttrekking aan toezicht, feitelijk juist zijn. De lichte gronden, zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, dragen bij aan het risico op onttrekking.
Eiser betoogt dat hij ook in Oostenrijk gevaar loopt en dat een lichter middel passend zou zijn geweest, omdat hij bereid was zelfstandig te vertrekken. Dit wordt door de rechtbank verworpen, mede omdat eiser niet is verschenen bij vertrekgesprekken en geen vaste verblijfplaats heeft. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig was en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.