Eiser, een Somalische chauffeur, diende op 21 oktober 2022 een asielaanvraag in. De staatssecretaris wees deze op 5 februari 2024 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het verhaal dat eiser explosieven voor Al-Shabaab moest vervoeren en deze in zee dumpten. De rechtbank behandelde het beroep op 13 maart 2024.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris het geloofwaardigheidsoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo is het onterecht dat het kauwen van qat als tegenstrijdig werd gezien, terwijl dit gebruikelijk is in Somalië en niet uitsluit dat eiser vreesde voor Al-Shabaab. Ook zijn tegenwerpingen over het niet vragen naar de veiligheid van familie en het niet kennen van de volledige naam van een collega onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast is het oordeel over de vertraging in contactname door Al-Shabaab wel terecht, evenals de onduidelijkheden in verklaringen over de familie van de collega. Over het veiligheidsrisico bij terugkeer naar Marka oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de actuele situatie en reisveiligheid.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.750,- aan eiser.