ECLI:NL:RBDHA:2024:4306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
27 maart 2024
Zaaknummer
SGR 24/595
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30h Wet op de kansspelenArt. 30i Wet op de kansspelenArt. 3 Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering exploitatievergunning speelautomaten

Verzoekster, exploitant van een casino met speelautomaten, had een exploitatievergunning die in 2023 verliep en vroeg een nieuwe aan. De Kansspelautoriteit wees de aanvraag af vanwege antecedenten en het risico op strafbare feiten. Verzoekster betwistte dit en stelde dat de eigendomsverhoudingen van de speelautomaten onjuist waren geïnterpreteerd.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was vanwege de sluiting van het casino en de verslechterende financiële situatie, maar dat het verzoek om voorlopige voorziening slechts kan worden toegewezen als duidelijk is dat de vergunning uiteindelijk moet worden verleend. Dit was niet het geval vanwege structurele overschrijdingen van wettelijke voorschriften en onduidelijkheid over eigendom van de speelautomaten.

Het algemeen belang om te voorkomen dat vergunningen worden misbruikt voor strafbare feiten weegt zwaarder dan het belang van verzoekster. Daarom werd het verzoek afgewezen en mag verzoekster geen speelautomaten exploiteren gedurende de beroepsprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de exploitatievergunning voor speelautomaten is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/595

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigden: mr. J.L. Vissers en mr. G.S. Billet),
en

de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder

(gemachtigden: mr. L.M. Greben, mr. drs. T. F. Prins en mr. E. Özdemir).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om een exploitatievergunning voor speelautomaten. [1]
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 oktober 2023 afgewezen. De voorzieningenrechter heeft eerder een verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. [2]
1.2.
Met het bestreden besluit van 5 december 2023 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer: SGR 24/295) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2024 op zitting behandeld. Namens verzoekster zijn verschenen: [naam] en haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekster exploiteert een casino met speelautomaten. Aan verzoekster is op 5 september 2013 een exploitatievergunning verleend voor de duur van tien jaar. Verzoekster heeft op 27 juni 2023 een nieuwe exploitatievergunning aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Op basis van meerdere antecedenten stelt zij dat sprake is van slecht levensgedrag [3] en dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. [4] Verzoekster is het daar niet mee eens. Bovendien is verweerder volgens haar uitgegaan van onjuiste informatie voor wat betreft de eigendomsverhoudingen ten aanzien van de speelautomaten. De speelautomaten zijn namelijk aan verzoekster verkocht onder eigendomsvoorbehoud. Vanwege de zeer ingrijpende gevolgen die de afwijzing met zich brengt, verzoekt zij de voorzieningenrechter te bepalen dat zij moet worden behandeld als ware zij in het bezit van een exploitatievergunning tot zes weken na de uitspraak op haar beroep.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening voldoende aanwezig. Het casino is inmiddels ruim vijf maanden gesloten en het is aannemelijk dat de financiële positie van verzoekster steeds verder verslechtert. Vanwege achterstallige betalingen zouden inmiddels meerdere leveranciers hun eigendomsvoorbehoud hebben ingeroepen en speelautomaten hebben teruggehaald. Alleen de speelautomaten van [bedrijfsnaam 1] B.V., dan wel [bedrijfsnaam 2] B.V. staan nog in het casino, maar ook die zullen op korte termijn worden teruggehaald als betaling uitblijft. Exploitatie van de speelautomaten wordt op die manier feitelijk onmogelijk. Daar komt bij dat de weigering mogelijk leidt tot intrekking van de aan verzoekster verleende schaarse aanwezigheidsvergunning voor de speelautomatenhal. [5]
5. Het verzoek om verzoekster te behandelen als zijnde in het bezit van een exploitatievergunning is echter zeer verstrekkend. Een dergelijk verstrekkend verzoek kan in beginsel dan ook alleen kan worden ingewilligd als de voorzieningenrechter op voorhand de overtuiging heeft dat de uitkomst in de bodemprocedure zal zijn dat de exploitatievergunning zal moeten worden verleend. De voorzieningenrechter heeft die overtuiging niet. Naast dat verzoekster al dan niet opzettelijk verschillende wettelijke bepalingen en vergunningsvoorschriften over een periode van negen jaar structureel heeft overschreden, is tijdens deze procedure twijfel gerezen over de vraag bij wie het eigendom van de speelautomaten ligt. Nu niet onomstotelijk vaststaat wie het eigendom over de in het casino aanwezige speelautomaten heeft, is het maar de vraag of verzoekster daarvoor (op korte termijn) een exploitatievergunning kan verkrijgen vergelijkbaar met de vergunning die inmiddels is verlopen. Hierbij is voorts van belang dat deze onduidelijkheid voor rekening en risico van verzoekster dient te blijven, nu het gaat om de speelautomaten die zij exploiteerde dan wel wederom wil exploiteren en zij hierover overeenkomsten met derden heeft gesloten. Voor zover de eigendomsverhoudingen anders zijn dan waar partijen vanuit gingen, kan dit daarom niet zonder meer leiden tot het oordeel dat verweerder onvoldoende zorgvuldig is geweest bij het nemen van het bestreden besluit. Bovendien is niet aannemelijk dat de verwijten die verweerder maakt aan het adres van verzoekster daarmee geheel van de baan zijn, zodat geen grond meer zou bestaan om de vergunning te weigeren.
6. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van verzoekster onvoldoende zwaarwegend is om alsnog tot een toewijzing van de gevraagde voorziening te kunnen komen. Weliswaar wordt de continuïteit van verzoekster ernstig bedreigd maar dat rechtvaardigt in dit geval nog geen toewijzing van de gevraagde verstrekkende voorziening. Het algemeen belang dat wordt gediend met het tegengaan dat vergunningen mede worden benut om strafbare feiten te plegen prevaleert in dit geval boven het belang van verzoekster om het bedrijf te kunnen voortzetten.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen speelautomaten mag exploiteren gedurende de beroepsprocedure. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
11 maart 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 30h van de Wet op de kansspelen (Wok).
2.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, van 16 november 2023, (ECLI:NL:RBDHA:2023:22035).
3.Zoals bedoeld in artikel 30i, tweede lid, sub b, van de Wok.
4.Zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).
5.Zie de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Berkelland houdende regels omtrent speelautomatenhal 2020.