De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten. Dit terugkeerbesluit is gebaseerd op het einde van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en wijst het toe zonder zitting, op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter benadrukt dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor het bodemgeding. De procedure leent zich niet voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Daarom wordt verzoeker voorlopig behandeld als een vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 875,- wegens het indienen van het verzoekschrift door de gemachtigde van verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.