ECLI:NL:RBDHA:2024:4489
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting afgewezen
Eiser, een vreemdeling met de [nationaliteit] nationaliteit, was vanaf 26 januari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 27 februari 2024 opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring over de periode vanaf 7 februari 2024, omdat zij eerder had geoordeeld dat de bewaring tot dat moment rechtmatig was. Verweerder stelde dat eiser geen procesbelang had, maar de rechtbank oordeelde dat eiser binnen 15 dagen na opheffing beroep had ingesteld, waardoor procesbelang aanwezig was.
Uit de voortgangsrapportage bleek dat op 27 februari 2024 informatie werd ontvangen waaruit bleek dat gedwongen terugkeer naar het land van herkomst niet mogelijk was, waarna de bewaring werd opgeheven. De rechtbank concludeerde dat de bewaring tot dat moment niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.