ECLI:NL:RBDHA:2024:4495
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis ondanks beroep op artikel 8 EVRM
Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) op grond van nareis bij haar gestelde vader, die de Nederlandse nationaliteit bezit. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet aan de voorwaarden voor nareis werd voldaan en zag geen aanleiding om ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Eiseres stelde dat verweerder wel had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM Pro omdat haar aanvraag feitelijk neerkwam op gezinshereniging. De rechtbank stelde vast dat uit jurisprudentie volgt dat bij nareisaanvragen altijd een impliciet beroep op artikel 8 EVRM Pro ligt, maar oordeelde dat de staatssecretaris in het bestreden besluit en de verweerschriften voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van die bevoegdheid geen gebruik maakt.
De rechtbank vond geen motiveringsgebrek en wees erop dat een toets aan artikel 8 EVRM Pro een meer bewerkelijke procedure vergt die niet is ingericht voor deze aanvraag. Ook was niet gebleken dat het voor eiseres onmogelijk of onevenredig bezwarend zou zijn om een aparte aanvraag op grond van artikel 8 EVRM Pro in te dienen. Een hoorzitting was niet vereist omdat het niet in geschil was dat eiseres niet aan de voorwaarden voldeed. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf op grond van nareis wordt ongegrond verklaard.