ECLI:NL:RBDHA:2024:4573
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning regulier
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij haar partner. Deze aanvraag is op 8 mei 2019 afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die tevens heeft beslist dat verzoekster geen afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt, dat op 2 juli 2019 ongegrond is verklaard. Vervolgens heeft zij beroep ingesteld bij de rechtbank en een voorlopige voorziening verzocht.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep in de hoofdzaak ongegrond verklaard. Gezien deze beslissing is er geen grond meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.G. Nicholson en griffier E. Kersten op 12 maart 2024 in het openbaar. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de hoofdzaak ongegrond is verklaard.