De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige en het verlengen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De Raad stelde dat het perspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt vanwege hun problematiek en de complexe familieverhoudingen, en verzocht het verzoek tot gezagsbeëindiging aan te houden voor negen maanden.
De gecertificeerde instelling onderschreef dat het perspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt en dat een professionele opvoedsetting passend is. De ouders verzetten zich tegen aanhouding en beëindiging van het gezag, maar stonden wel achter de verlenging van de beschermingsmaatregelen. De rechtbank oordeelde dat niet aan de wettelijke gronden voor gezagsbeëindiging was voldaan en dat het verzoek daarom werd afgewezen.
De rechtbank vond de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de minderjarige, gelet op zijn belaste verleden en opvoedbehoeften. De omgang tussen ouders en minderjarige verloopt positief en wordt stapsgewijs uitgebreid. De rechtbank verlengde de beschermingsmaatregelen tot 3 december 2024 en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.