ECLI:NL:RBDHA:2024:4704

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
NL24.8324 en NL24.8325
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met de Syrische nationaliteit, verzoekt de rechtbank om het beroep te beoordelen tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De staatssecretaris baseert dit besluit op de Dublinverordening, waarbij Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelt dat hij niet terug kan naar Oostenrijk en dat hij bij zijn broer in Nederland wil blijven vanwege zijn analfabetisme en afhankelijkheid van zijn broer voor dagelijkse zaken. Hij beroept zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening om het verzoek aan Nederland toe te wijzen.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van de familierechtelijke band en de bijzondere zorgrelatie met zijn broer. De Dublinverordening is niet bedoeld voor gezinshereniging op reguliere gronden, maar bepaalt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

De rechtbank kent geen proceskosten toe aan eiser en wijst erop dat tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.8324 en NL24.8325
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak ook het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 maart 2024 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser verzoekt zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder kan en wil eiser niet terug naar Oostenrijk. Eiser wil bij zijn broer in Nederland blijven. Eiser is analfabeet en krijgt bij de algemene dagelijkse zaken in het leven hulp van zijn broer. Verweerder had in deze afhankelijkheidsrelatie een bijzonder individuele omstandigheid moeten zien waardoor verweerder het asielverzoek van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd onvoldoende is om aan te merken als beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. Daarom zal de rechtbank uitsluitend ingaan op wat eiser in beroep concreet heeft aangevoerd.
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan verweerder een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk in behandeling nemen. Dit is een discretionaire bevoegdheid van verweerder en houdt in dat verweerder veel vrijheid heeft in zijn beoordeling. De rechtbank toetst terughoudend of verweerder gebruik had moeten maken van deze bevoegdheid. De rechtbank oordeelt dat eiser de familierechtelijke band met zijn gestelde broer niet met stukken heeft onderbouwd. Bovendien heeft eiser geen bewijs aangedragen dat hij door zijn analfabetisme hulp nodig heeft bij de algemene dagelijkse zaken en dat zijn gestelde broer een zodanig unieke positie als zijn zorgverlener inneemt dat hij niet of zeer moeilijk door anderen te vervangen is. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de Dublinverordening niet is bedoeld als middel om op reguliere gronden gezinshereniging te realiseren. Het gaat slechts om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [2] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van B.C.N. van Slingerland, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.