ECLI:NL:RBDHA:2024:4706

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
NL23.17501
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 16 november 2022 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zijn vrouw en minderjarige kind. Verweerder had op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen moeten beslissen en had deze termijn verlengd met drie maanden, waardoor uiterlijk 14 mei 2023 een besluit had moeten worden genomen.

Eiser stelde verweerder op 24 mei 2023 rechtsgeldig in gebreke, waarna twee weken verstreken voordat het beroep werd ingesteld. De rechtbank constateert dat verweerder nog geen besluit heeft genomen en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit en draagt verweerder op binnen twee weken alsnog te beslissen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442 en tot vergoeding van proceskosten van €437,50 en het griffierecht van €184. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie voor de motivering van de termijn en de bijzondere omstandigheden bij aanvragen om gezinshereniging bij asielvergunninghouders.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee weken alsnog te beslissen onder oplegging van dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17501

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 15 juni 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de door hem ingediende aanvraag van 16 november 2022 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zijn vrouw en minderjarige kind.
2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

4. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
5. Op 16 november 2022 is namens eiser een aanvraag ingediend voor het verlenen van een mvv in het kader van nareis. Verweerder moet op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen beslissen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met drie maanden. Verweerder had dus uiterlijk op 14 mei 2023 een besluit moeten nemen.
6. Eiser heeft verweerder op 24 mei 2023, dus na het verstrijken van deze termijn, rechtsgeldig in gebreke gesteld. Verweerder heeft deze ingebrekestelling op 27 mei 2023 ontvangen. Hierna zijn twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Tot op heden is niet gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit zal dan ook worden vernietigd.
7. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder op te dragen binnen twee weken alsnog te beslissen.
8. Als verweerder niet op tijd heeft beslist, legt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn op van twee weken waarbinnen hij een besluit bekend moet maken. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid van deze bepaling een andere termijn opleggen of een andere voorziening treffen.
9. De rechtbank is van oordeel dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning op dit moment sprake is van een bijzonder geval. Zij verwijst voor een uitgebreide motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.
10. De rechtbank ziet in dit specifieke geval echter geen reden om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere termijn dan twee weken op te leggen. Daartoe is het volgende van belang. Op 3 juli 2023 heeft verweerder in zijn verweerschrift verzocht om een nadere beslistermijn te geven van twintig weken na de uitspraak. De rechtbank stelt vast dat sinds het uitbrengen van het verweerschrift meer dan 38 weken zijn verstreken. Gelet op de geruime tijd die is verstreken legt de rechtbank een termijn op van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend moet maken.
11. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500.
12. Eiser verzoekt de rechtbank om de door verweerder verbeurde bestuurlijke dwangsommen vast te stellen. De rechtbank stelt vast dat de volledige termijn van artikel 4:17 van Pro de Awb is verstreken, zodat verweerder aan eiser € 1.442 aan bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd.
13. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en om te bepalen dat verweerder het
door eiser betaalde griffierecht van €184 moet vergoeden. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de aanvraag van eiser;
 bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (zevenduizendvijfhonderd euro);
 veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen ter hoogte van € 1.442 (veertienhonderdtweeënveertig euro);
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent);
 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184
(honderdvierentachtig euro) moet vergoeden.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.