ECLI:NL:RBDHA:2024:4744
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure
Eiser diende bezwaar in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om bijzondere bijstand voor intakekosten af te wijzen. Na bezwaar werd gedeeltelijk bijzondere bijstand toegekend. Eiser verzocht vervolgens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn van twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift was overschreden met één maand, wat toerekenbaar is aan het college. De rechter baseerde zich op het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 en hanteerde een vergoedingstarief van €500 per half jaar overschrijding, afgerond naar boven.
De behandeling van het beroep duurde 18 maanden, binnen de maximale termijn van anderhalf jaar, waardoor de overschrijding volledig aan het college kan worden toegerekend. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €473,50 die verband houden met het verzoek om schadevergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Paridon en griffier E.P.A. Stok op 26 maart 2024. Partijen stemden in met het achterwege laten van een zitting. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding en €473,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.