ECLI:NL:RBDHA:2024:4744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
22/6002
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure

Eiser diende bezwaar in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om bijzondere bijstand voor intakekosten af te wijzen. Na bezwaar werd gedeeltelijk bijzondere bijstand toegekend. Eiser verzocht vervolgens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn van twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift was overschreden met één maand, wat toerekenbaar is aan het college. De rechter baseerde zich op het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 en hanteerde een vergoedingstarief van €500 per half jaar overschrijding, afgerond naar boven.

De behandeling van het beroep duurde 18 maanden, binnen de maximale termijn van anderhalf jaar, waardoor de overschrijding volledig aan het college kan worden toegerekend. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €473,50 die verband houden met het verzoek om schadevergoeding.

De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Paridon en griffier E.P.A. Stok op 26 maart 2024. Partijen stemden in met het achterwege laten van een zitting. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding en €473,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6002

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: M.A. Breukhoven),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

Het college heeft met het besluit van 22 februari 2022 de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor intakekosten/aanvangswerkzaamheden van de nieuwe bewindvoerder ten bedrage van € 676,39 afgewezen. Met het besluit van 12 september 2022 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en € 338,20 aan bijzondere bijstand toegekend voor de aanvangswerkzaamheden.
In een proces-verbaal van 12 maart 2024 zijn de afspraken die partijen hebben gemaakt vastgelegd. Een van de afspraken is dat eiser zijn beroep tegen het besluit van 12 september 2022 intrekt.
In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzoek van eiser om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Partijen hebben toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [1] Uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn is geweest, indien de uitspraak niet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 februari 2022 bezwaar heeft gemaakt tegen
het besluit van 22 februari 2022. Dat is dan ook de datum dat de redelijke termijn is aangevangen. Dat betekent dat op 25 februari 2024 de redelijke termijn verliep. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Gelet op de datum van het proces-verbaal van schikking is de redelijke termijn (naar boven afgerond) overschreden met één maand. Daarmee correspondeert een schadevergoeding van € 500,-.
3. De behandeling door de rechtbank van het beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 20 september 2022 tot de schikking op 6 maart 2024 totaal (naar boven afgerond) 18 maanden geduurd. Dit is binnen de termijn van anderhalf jaar in de rechterlijke fase. Hieruit volgt dat de overschrijding van één maand toe te rekenen is aan verweerder.
4. Daarnaast bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eiser die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiser te vergoeden ter hoogte van € 437,50 (één punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt het college tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het college tot betaling van € 473,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.