ECLI:NL:RBDHA:2024:4825
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen na een incident van huiselijk geweld en zorgelijk gedrag van de kinderen, waaronder seksueel overschrijdend gedrag. De kinderen verbleven aanvankelijk in een pleeggezin en daarna bij beide ouders met intensieve opvoedondersteuning.
De ouders, beiden belast met het ouderlijk gezag, verzetten zich tegen de uithuisplaatsing. De moeder wil volledige plaatsing bij haar en wijst op alternatieven zoals gezinsopname. De vader erkent de problematiek maar stelt dat de situatie niet verslechterd is en dat intensieve hulpverlening wordt geaccepteerd.
De rechtbank constateert dat ondanks de zorgen over fysieke en seksuele onveiligheid bij beide ouders, er geen acute verslechtering is die een uithuisplaatsing rechtvaardigt. De rechtbank benadrukt dat uithuisplaatsing een ultimum remedium is en dat een gezinsopname een reëel alternatief is dat nog ingezet kan worden. De ouders zijn bereid tot samenwerking. De rechtbank wijst het verzoek tot uithuisplaatsing af en benadrukt de noodzaak van voortzetting van intensieve hulpverlening en naleving van veiligheidsafspraken.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarige kinderen wordt afgewezen.