De vader verzocht de rechtbank om de onmiddellijke terugkeer van zijn kinderen naar Turkije te gelasten op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). De kinderen waren met de moeder vanuit Turkije naar Nederland gekomen, waarna juridische procedures werden gestart.
De rechtbank onderzocht welke gewone verblijfplaats de kinderen hadden voorafgaand aan hun vertrek naar Nederland. Gelet op de feiten, waaronder inschrijvingen in bevolkingsregisters, schoolgang, sociale en familiale banden in zowel Nederland als Turkije, kon niet worden vastgesteld dat de kinderen een exclusieve gewone verblijfplaats in Turkije hadden. De kinderen hadden feitelijk twee gewone verblijfplaatsen.
Omdat het HKOV vereist dat de kinderen ongeoorloofd zijn overgebracht vanuit hun gewone verblijfplaats, kon niet worden vastgesteld dat sprake was van een ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in Nederland. Daarom werd het verzoek tot teruggeleiding afgewezen.
De rechtbank besloot tevens dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en dat de bijzondere curator de uitspraak met de kinderen zal bespreken. De werkzaamheden van de bijzondere curator eindigen één maand na datum van de beschikking indien geen hoger beroep wordt ingesteld.