ECLI:NL:RBDHA:2024:4870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
NL24.10227
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor behoud tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft verzoeker op 1 maart 2024 meegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2024, conform een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om tijdens de beroepsprocedure zijn tijdelijke bescherming en de bijbehorende voorzieningen te behouden.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en geoordeeld dat het verzoek kennelijk gegrond is. Dit oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere voorlopige voorzieningen van de ABRvS, waarin werd bepaald dat bepaalde vreemdelingen niet worden uitgezet en worden behandeld alsof zij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen, in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.

Gezien de ontwikkelingen en het ontbreken van een definitief oordeel over het besluitkarakter van de brief van 1 maart 2024, acht de voorzieningenrechter het passend om verzoeker voorlopig als een vreemdeling te behandelen die onder de Richtlijn 2001/55/EG valt. Dit betekent dat verzoeker voorlopig niet hoeft te vertrekken, zijn recht op opvang behoudt en mag blijven werken. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 875,-.

Uitkomst: Verzoeker behoudt voorlopig zijn tijdelijke bescherming, opvang en werk tot beslissing op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10227

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [naam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In een brief van 1 maart 2024 heeft de staatssecretaris verzoeker meegedeeld dat hij tot 4 maart 2024 valt onder Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Dat volgt volgens de brief uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van
17 januari 2024. In de brief heeft de staatssecretaris aangegeven dat 4 maart 2024 de laatste dag waarop verzoeker recht heeft op tijdelijke bescherming en dat daarvoor geen nieuw hoeft te worden genomen.
2. Verzoeker heeft op 7 maart 2024 beroep ingesteld tegen de brief van 1 maart 2024. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL24.10226. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voorzieningenrechter van de ABRvS heeft op 2 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1366) in zes zaken een voorlopige voorziening getroffen. In die uitspraken is gewezen op de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de EU, en de uiteenlopende en verschillende oordelen van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank. Daarin ziet de voorzieningenrechter van de ABRvS aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten. Om die reden is bepaald dat de betreffende vreemdelingen niet worden uitgezet en dat zij worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hen van toepassing is, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist.
6. De voorzieningenrechter heeft verder kennis genomen van de brief van 3 april 2024 van de staatssecretaris aan gemeenten waarin hij schrijft dat de door de voorzieningenrechter van de ABRvS getroffen voorzieningen alleen betrekking hebben op de zes betreffende vreemdelingen en dat gemeenten door kunnen gaan met het beëindigen van de opvang van andere derdelanders, zolang in individuele zaken geen ordemaatregel of voorlopige voorziening is getroffen.
7. Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen, maar ook omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter deze procedure zich niet leent om een voorlopig oordeel te geven over het besluitkarakter van de brief van 1 maart 2024, ziet de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist. Het treffen van de voorlopige voorziening betekent dat verzoeker voorlopig niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang behoudt en dat hij mag blijven werken.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De staatssecretaris moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe in die zin dat verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van de proceskosten tot een bedrag van
€ 875,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.