3.3.1Aanleiding onderzoek
Op vrijdag 12 april 2019 gaat de politie naar de [adres 2] in [plaats] na melding van een diefstal van € 248.000,00. Ter plaatse blijkt [aangever 1] (hierna: [aangever 1] of aangever) de melder te zijn geweest.:. [aangever 1] verklaart dat twee mannen en een vrouw in zijn woning waren geweest en zich als medewerkers van de politie hadden voorgedaan. Hij verklaart verder dat – in tegenstelling tot de melding – een geldbedrag van € 158.000,00 is buitgemaakt en dat de dieven ook zijn mobiele telefoon hebben meegenomen.
De dieven hebben vervolgens de woning verlaten en zijn – denkt de aangever – weggereden in een zwarte Toyota Aygo met kenteken [kenteken] .
[aangever 1] doet vervolgens aangifte van diefstal, mede namens zijn bejaarde moeder [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ), die ook in de woning aanwezig was.
Na onderzoek blijkt de betreffende Toyota Aygo op naam van de verdachte te staan. Diezelfde avond heeft de politie in een hotel in de buurt van Schiphol de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Alle drie ontkennen zij enige betrokkenheid bij hetgeen zich aan de [adres 2] zou hebben afgespeeld.
3.3.2Waardering van het bewijs
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een tas met daarin een geldbedrag van ongeveer € 158.000 en een mobiele telefoon. De diefstal zou zijn gepleegd door drie personen, die zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door het tonen van een valse politielegitimatie en een valse machtiging tot binnentreden. Daarnaast zou de diefstal vergezeld zijn gegaan van geweldshandelingen (onder meer duwen van personen, uit de hand trekken van goederen en uiten van bedreigingen met geweld).
De rechtbank zal hierna per onderdeel van de tenlastelegging bespreken welk bewijs daarvoor voorhanden is.
Het geldbedrag
[aangever 1] heeft verklaard dat een bedrag van € 158.000,00 aan contant geld in de woning aanwezig was, dat afkomstig zou zijn van de erfenissen van twee ooms van hem. Hij heeft daartoe een Excelbestand overgelegd waarin geldbedragen zijn opgenomen en de testamenten waaruit blijkt dat hij enig erfgenaam van zijn ooms is. Dit geld lag in losse enveloppen in een linnen tas in zijn slaapkamer.
Uit de verklaring van [aangever 2] , de moeder van aangever [aangever 1] , blijkt dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van een dergelijk groot geldbedrag in de woning.
Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele verklaring van de aangever en het overgelegde Excelbestand onvoldoende om te kunnen aannemen dat hij een zo groot bedrag aan contanten voorhanden had in de woning.
De rechtbank concludeert dat slechts kan worden vastgesteld dat een geldbedrag van onbekende grootte en de mobiele telefoon van [aangever 1] zijn weggenomen.
Het verschaffen van toegang tot de plaats van het misdrijf door middel van een valse order
De rechtbank stelt vast dat de personen die de woning zijn binnengetreden de reden van hun komst hebben meegedeeld en een valse politielegitimatie hebben getoond nadat zij [aangever 2] waren gepasseerd en binnen in de gang stonden al. Ook zouden zij een formulier hebben getoond waarop stond dat ze in de woning mochten zijn, maar dat deden zij pas nadat zij het contante geld en de mobiele telefoon van de aangever hadden afgenomen.
De rechtbank concludeert op grond van bovenstaande dat niet kan worden vastgesteld dat de daders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van een valse order.
Betrokkenheid van de verdachte
Uit het procesdossier komt het volgende over verdachte naar voren.
Aangever [aangever 1] heeft signalementen gegeven van de personen die in de woning waren. De verdachte voldoet aan het signalement van de vrouwelijke dader, dus zij zou de vrouwelijke dader geweest kunnen zijn. Met aangever [aangever 1] heeft echter geen betrouwbare fotoconfrontatie plaats gevonden, zodat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte was die in de woning is geweest.
Nadat alle personen uit de woning waren verdwenen, is aangever [aangever 1] naar buiten gerend. Hij zag een persoon in een kleine donkere auto stappen, van wie hij vermoedde dat dit de vrouwelijke dader was. Het kenteken van deze auto betrof het kenteken van de zwarte Toyota Aygo, die op naam stond van verdachte.
De rechtbank merkt op dat niet zeker is dat de persoon die aangever in de auto heeft zien stappen dezelfde persoon is geweest die bij hem in de woning was. Aangever heeft deze vrouw immers niet gevolgd toen zij de woning verliet; hij is pas naar buiten gegaan toen hij zag dat iedereen weg was. Aangever vermoedt wel dat de persoon die in een auto stapte deze vrouw was, maar dit vermoeden berust op niet meer dan de omstandigheid dat deze persoon snel instapte en wegreed. Hij heeft de vrouw niet herkend. Niet valt uit te sluiten dat de daders van de overval in een andere auto zijn gestapt of een andere vluchtroute hebben genomen. Dit klemt te meer nu de auto van verdachte niet te zien is op camerabeelden in de straten in de omgeving van de woning van aangever. Verdachte is diezelfde avond samen met haar medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangetroffen in een hotel in de buurt van Schiphol, waarbij in de hotelkamer twee prostituees, drugs en geld aanwezig waren. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank hooguit een aanwijzing maar geen rechtstreeks verband met het feit op.
De omstandigheden dat de telefoon van verdachte op 10 april 2019 een basisstation aanstraalde in de (buurt van) de Hoekerstraat en dat deze telefoon uitstond tijdens de overval op 12 april 2019, alsmede de aanwezige zoekopdrachten in die telefoon en de inhoud van de uitgeluisterde OVC-gesprekken zijn zeer opmerkelijk te noemen. Maar ook hierbij gaat het slechts om indirecte aanwijzingen tegen verdachte; zij leveren geen bewijs van strafbare betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit op, ook niet in onderlinge samenhang.
Conclusie
De rechtbank concludeert op grond van bovenstaande dat er weliswaar aanwijzingen zijn die verdachte in verband brengen met het ten laste gelegde feit, maar dat daaraan niet de overtuiging kan worden ontleend dat zij daarbij betrokken was zoals ten laste is gelegd.
Dit brengt met zich mee met dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.