Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 22 maart 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt. De staatssecretaris heeft meerdere zware en lichte gronden aangevoerd, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats.
Eiser stelde beroep in en voerde aan dat de maximale ophoudingstermijn van 6 uur was overschreden. De rechtbank stelde vast dat deze overschrijding inderdaad had plaatsgevonden, maar dat dit gebrek niet leidde tot opheffing van de maatregel. De belangenafweging viel uit in het voordeel van de staatssecretaris vanwege de minieme overschrijding en het ontbreken van andere gebreken.
De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de bewaring voldoende waren en dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn. Ook is vastgesteld dat de staatssecretaris voortvarend handelt met een geplande overdracht naar Spanje op 9 april 2024. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar eiser kreeg proceskosten toegekend wegens de terechte beroepsgrond over de termijnoverschrijding.