ECLI:NL:RBDHA:2024:4973
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid gegronde vrees vervolging in Guinee
Eiser, van Guinese nationaliteit, verzocht op 6 januari 2020 om een verblijfsvergunning asiel. Hij vreesde terugkeer vanwege bedreigingen door zijn stieffamilie en autoriteiten na incidenten in Guinee, waaronder de dood van zijn stiefbroer en een politieonderzoek naar wapens in zijn woning.
De staatssecretaris achtte alle relevante elementen geloofwaardig maar concludeerde dat deze niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging onder het Vluchtelingenverdrag. Ook de medische klachten van eiser werden erkend, maar er was geen indicatie dat deze zijn verklaringen beïnvloedden. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet expliciet hoefde te motiveren hoe het medisch advies was betrokken bij de besluitvorming.
Eiser stelde dat de vrees voor zijn stieffamilie en autoriteiten aannemelijk was, mede vanwege het levensdelict en de politiezoektocht. De rechtbank vond echter dat eiser onvoldoende specificeerde waarom hij nog vrees zou moeten hebben, mede omdat hij jarenlang zonder problemen in Guinee verbleef en geen recente aanwijzingen voor vervolging zijn gegeven.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris de vrees terecht niet aannemelijk achtte en de asielaanvraag terecht als ongegrond afwees. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bevestigd.