Eiseres, als wettelijk vertegenwoordigster van een minderjarige met een autismespectrumstoornis, betwistte de omvang van de vervoersvoorziening van 239 ritten die het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer had toegekend op grond van de Jeugdwet.
De rechtbank overwoog dat het college de hardheidsclausule terecht had toegepast, maar het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk had gemotiveerd hoe het aantal ritten was vastgesteld. Desondanks werd het motiveringsgebrek gepasseerd omdat uit het dossier duidelijk bleek hoe het aantal ritten was berekend, namelijk 45 weken per jaar vier dagen per week vervoer naar de jeugdhulpaanbieder en 7 weken twee dagen per week naar een zorgboerderij.
Eiseres voerde aan dat de stichting als onderwijsinstelling moest worden aangemerkt en dat de financiële en praktische lasten voor het gezin onevenredig waren, maar dit werd verworpen. De rechtbank oordeelde dat de stichting jeugdhulp verleent en dat ouders verantwoordelijk zijn voor het vervoer. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het college werd verplicht het griffierecht te vergoeden.