ECLI:NL:RBDHA:2024:5196
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens kennelijke verschrijving verblijfsvergunning
Verzoeker had beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris waarin een verblijfsvergunning asiel was verleend met een onjuiste geldigheidsduur van één dag. Later heeft de staatssecretaris dit besluit hersteld door een nieuw besluit te nemen met de juiste geldigheidsduur van vijf jaar.
Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenveroordeling van de staatssecretaris, stellende dat hij het beroep had moeten instellen om de geldigheidsduur te corrigeren. De staatssecretaris verweerde zich door te stellen dat het beroep niet ontvankelijk was en dat verzoeker door het beroep niet in een betere positie was gekomen.
De rechtbank oordeelde dat het herstel van de kennelijke verschrijving geen tegemoetkoming is in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat de geldigheidsduur van vijf jaar uit het Vreemdelingenbesluit volgt en de oorspronkelijke fout een duidelijke schrijffout betrof. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling af.
De uitspraak is gedaan door rechter Elzakkers en griffier Biswane op 9 april 2024 in Utrecht. Partijen waren niet verschenen op de zitting. Verzoeker kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat herstel van een kennelijke verschrijving geen tegemoetkoming is.