De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige geboren in 2009, die zich onttrekt aan het ouderlijk gezag, drugs gebruikt, suïcidale uitspraken doet en regelmatig wegloopt. Na een spoedmachtiging van 13 maart 2024 werd de zaak op 25 maart 2024 inhoudelijk behandeld.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek met het ernstige gedrag van de minderjarige en het ontbreken van minder ingrijpende alternatieven. De minderjarige zelf wil niet langer in gesloten plaatsing verblijven maar is bereid mee te werken aan diagnostisch onderzoek in een open setting. De vader en moeder hebben deels verschillende standpunten, waarbij de vader instemt met drie maanden gesloten plaatsing en de moeder een voorkeur heeft voor een open setting.
De kinderrechter oordeelt dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk is vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige ernstig belemmeren. De machtiging wordt verleend voor drie maanden, met aanhouding van de behandeling voor nog eens drie maanden. Het verzoek voor een langere termijn wordt afgewezen. De kinderrechter benadrukt het belang van diagnostisch onderzoek en behandeling en wijst op het toezicht door de jeugdbeschermer.
De beslissing is mondeling gegeven op 25 maart 2024 en schriftelijk vastgesteld op 3 april 2024. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak, via de griffie van het gerechtshof te Den Haag.