ECLI:NL:RBDHA:2024:523
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 27 oktober 2022 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft op 1 februari 2023 het bezwaar behandeld en besloten, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig is. Omdat er geen beroep is ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het verzoek om voorlopige voorziening niet worden toegewezen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening alleen kan worden verleend indien een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu dit niet het geval is, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is definitief, er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig bezwaar of beroep.