Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 20 november 2023 een asielaanvraag in, die op 7 februari 2024 werd afgewezen (bestreden besluit 1). Op 14 maart 2024 volgde een aanvullend besluit (bestreden besluit 2) waarin de ongewenstverklaring werd vervangen door een terugkeerbesluit en een inreisverbod. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit was vervangen.
Eiser stelde dat hij gevaar loopt bij terugkeer naar Algerije vanwege bedreigingen door een veroordeelde persoon die eerder vrij kwam door vermeende corruptie, en dat hij geen bescherming kan verwachten van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat eiser deze stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat hij niet had aangetoond dat bescherming door de autoriteiten zinloos zou zijn.
Verder voerde eiser aan dat zijn overtredingen van Nederlandse wetgeving niet relevant zijn voor zijn asielbehoefte en dat hij ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod kreeg opgelegd. De rechtbank stelde dat het herhaaldelijk overtreden van Nederlandse wetgeving juist afbreuk doet aan de noodzaak tot bescherming en dat het terugkeerbesluit en inreisverbod terecht zijn opgelegd vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het niet voldoen aan het middelenvereiste.
De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van €1.750,- aan eiser en wees het beroep tegen het tweede besluit af, waarmee het terugkeerbesluit en inreisverbod in stand blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.