Uitspraak
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Inleiding
Beoordeling van de rechtbank
Beslissing
mr.Y. Al-Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2024.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft een aanvraag voor een persoonsgebonden budget op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend, die door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar tegen deze afwijzing, heeft eiser beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en partijen bereikten een schikking over het geschilpunt, waarna het beroep werd ingetrokken met behoud van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, waarbij de redelijke termijn voor bezwaar maximaal zes maanden en voor beroep maximaal anderhalf jaar bedraagt.
De totale behandelperiode van bezwaar en beroep bedroeg ruim 2 jaar en 10 maanden, waarmee de redelijke termijn met 11 maanden werd overschreden. De rechtbank oordeelde dat deze overschrijding niet gerechtvaardigd was en kende een immateriële schadevergoeding toe van €1.000,-. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €437,50.
De uitspraak werd gedaan door rechter D.A.J. Overdijk op 4 april 2024. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.000,- schadevergoeding en €437,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.