ECLI:NL:RBDHA:2024:5391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
NL24.16019
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, kreeg van de staatssecretaris te horen dat zijn tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 per 4 maart 2024 eindigt. Verzoeker stelde beroep in tegen deze brief en vroeg om een voorlopige voorziening om tijdens de beroepsprocedure de bescherming en voorzieningen te behouden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond is en besloot zonder zitting uitspraak te doen. Dit oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter verwees naar eerdere voorlopige voorzieningen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de uitzetting van vergelijkbare vreemdelingen opschortten in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.

Gezien de ontwikkelingen en het feit dat deze procedure zich niet leent voor een voorlopig oordeel over het besluitkarakter van de brief of de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, werd het verzoek toegewezen. Verzoeker wordt behandeld alsof hij nog onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn valt totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 875,- voor de door verzoeker ingeschakelde rechtsbijstand.

Uitkomst: Verzoeker wordt behandeld alsof hij onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn valt totdat op het beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16019

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2024 in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Inleiding

1.1
In een brief van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris verzoeker meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van rechtswege eindigt na 4 maart 2024. Dat volgt volgens de brief uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 januari 2024. In de brief heeft de staatssecretaris verder het eerder genomen besluit, waarbij is besloten dat de tijdelijke bescherming ophoudt per 4 september 2023, ingetrokken. Ook heeft de staatssecretaris aangegeven dat de staatssecretaris verder gaat met de behandeling van de door verzoeker ingediende asielaanvraag. In het geval verzoeker na 4 maart 2024 wil (blijven) werken, dan heeft zijn werkgever een tewerkstellingsvergunning nodig.
1.2
Op 11 april 2024 heeft verzoeker beroep ingediend tegen de brief van 29 januari 2024. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL24.16018. Op 11 april 2024 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter van de ABRvS heeft op 2 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1366) in zes zaken een voorlopige voorziening getroffen. In die uitspraken is gewezen op de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de EU, en de uiteenlopende en verschillende oordelen van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank. Daarin ziet de voorzieningenrechter van de ABRvS aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten. Om die reden is bepaald dat de betreffende vreemdelingen niet worden uitgezet en dat zij worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hen van toepassing is, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist.
5. De voorzieningenrechter heeft verder kennis genomen van de brief van 3 april 2024 van de staatssecretaris aan gemeenten waarin hij schrijft dat de door de voorzieningenrechter van de ABRvS getroffen voorzieningen alleen betrekking hebben op de zes betreffende vreemdelingen en dat gemeenten door kunnen gaan met het beëindigen van de opvang van andere derdelanders, zolang in individuele zaken geen ordemaatregel of voorlopige voorziening is getroffen.
6. Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen, maar ook omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter deze procedure zich niet leent om een voorlopig oordeel te geven over het besluitkarakter van de brief van 29 januari 2024 en de vraag of de termijnoverschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De staatssecretaris moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van de vreemdeling een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe in die zin dat de verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van de proceskosten tot een bedrag van € 875,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.