Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, kreeg van de staatssecretaris te horen dat zijn tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 per 4 maart 2024 eindigt. Verzoeker stelde beroep in tegen deze brief en vroeg om een voorlopige voorziening om tijdens de beroepsprocedure de bescherming en voorzieningen te behouden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond is en besloot zonder zitting uitspraak te doen. Dit oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter verwees naar eerdere voorlopige voorzieningen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de uitzetting van vergelijkbare vreemdelingen opschortten in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
Gezien de ontwikkelingen en het feit dat deze procedure zich niet leent voor een voorlopig oordeel over het besluitkarakter van de brief of de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, werd het verzoek toegewezen. Verzoeker wordt behandeld alsof hij nog onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn valt totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 875,- voor de door verzoeker ingeschakelde rechtsbijstand.