ECLI:NL:RBDHA:2024:54

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 januari 2024
Publicatiedatum
4 januari 2024
Zaaknummer
C/09/650209 / HA ZA 23-590
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Brussel I bisArt. 7 lid 2 Brussel I bisArt. 20 RvArt. 21 RvArt. 337 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident inzake internationale bevoegdheid rechtbank bij kansspelovereenkomst

In deze zaak stond een bevoegdheidsincident centraal waarbij Trannel International Limited betoogde dat de rechtbank niet internationaal bevoegd was om kennis te nemen van de hoofdzaak. De rechtbank stelde vast dat Trannel haar commerciële activiteiten al voor het sluiten van de kansspelovereenkomst op Nederland had gericht, waardoor de hoofdzaak een consumentenovereenkomst betreft volgens artikel 18 Brussel Pro I bis. Hierdoor is de rechtbank Den Haag internationaal bevoegd.

Trannel werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de wederpartij. Een vordering tot vergoeding van volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht werd afgewezen omdat het bevoegdheidsincident niet evident kansloos was. Tevens werd het verzoek van Trannel om tussentijds hoger beroep toe te staan afgewezen vanwege het ontbreken van bijzondere procesrechtelijke redenen.

De rechtbank oordeelde ook dat het optreden van Trannel, waaronder het opwerpen van het bevoegdheidsincident, geen onredelijke vertraging in de procedure opleverde. De zaak werd verwezen naar de rolzitting van 14 februari 2024 voor het indienen van de conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich internationaal bevoegd en wijst het bevoegdheidsincident van Trannel af met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/650209 / HA ZA 23-590
Vonnis in incident van 3 januari 2024
in de zaak van
[eiser hoofdzaak/verweerder incident], te [plaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. B.Z. Loonstein te Amsterdam,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
TRANNEL INTERNATIONAL LIMITED, te Sliema, Malta,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat voorheen mr. F.M.A. ’t Hart, nu mr. T. Novakovski, te Leiden.
Partijen zullen hierna [eiser hoofdzaak/verweerder incident] en Trannel genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis in incident 8 november 2023 (hierna: het tussenvonnis);
  • de nadere akte houdende uitlating producties in het incident van Trannel van 20 november 2023;
  • de antwoordakte in het incident van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] van 6 december 2023.
1.2.
Op 6 december 2023 heeft mr. ‘t Hart zich onttrokken als advocaat van Trannel. Op 13 december 2023 heeft mr. Novakovski zich voor Trannel gesteld.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De verdere beoordeling in het incident

Internationale bevoegdheid rechtbank

2.1.
In het tussenvonnis is Trannel in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over:
i) het betoog van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] dat, kort gezegd, Trannel voordat partijen, op 14 augustus 2011, de (eerste) kansspelovereenkomst hebben gesloten haar activiteiten op Nederland heeft gericht en
ii) het beroep van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] op de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 2 Brussel Pro I bis.
2.2.
Trannel heeft in haar nadere akte uitlating producties het onder i) bedoelde betoog van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] niet (gemotiveerd) weersproken. De door [eiser hoofdzaak/verweerder incident] gestelde en niet weersproken feiten en omstandigheden kunnen de conclusie dragen dat Trannel al voor het sluiten van de (eerste) kansspelovereenkomst haar commerciële activiteiten - met het oog op het aanbieden en sluiten van kansspelovereenkomsten - op Nederland heeft gericht. Gelet hierop en gelet op wat onder 2.8 van het tussenvonnis is beslist, moet worden geoordeeld dat de hoofdzaak betrekking heeft op een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 18 Brussel Pro I bis. Hieruit volgt dat het gerecht van de woonplaats van [eiser hoofdzaak/verweerder incident], dat is deze rechtbank, internationaal bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen.
2.3.
De slotsom is dat de vordering in het incident zal worden afgewezen.
Proceskosten
2.4.
Trannel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [eiser hoofdzaak/verweerder incident] vordert een vergoeding van werkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht en overtreding van artikel 20 en Pro 21 Rv. Hierover wordt het volgende overwogen.
2.5.
Een vordering tot vergoeding van volledige proceskosten, in afwijking van het liquidatietarief, is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Van misbruik van procesrecht is sprake als de (incidentele) vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, achterwege had moeten blijven. Dat zou in dit geval zo zijn als Trannel op voorhand had moeten begrijpen, dat haar vordering geen kans van slagen had. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In dit incident is beslissend of Trannel haar activiteiten vóór 14 augustus 2011 op Nederland heeft gericht. Dat is pas komen vast te staan nadat [eiser hoofdzaak/verweerder incident] zijn stelling had onderbouwd en Trannel op dit punt geen gemotiveerd verweer meer heeft gevoerd. Er kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat Trannel op voorhand had moeten begrijpen dat de incidentele vordering geen kans van slagen had. Dat Trannel, zoals [eiser hoofdzaak/verweerder incident] heeft aangevoerd, in soortgelijke incidenten in andere zaken in het ongelijk is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal de proceskosten dus begroten volgens het gebruikelijke liquidatietarief.
2.6.
De proceskosten aan de zijde van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] worden als volgt begroot:
- salaris advocaat: € 897 (1,5 punt à € 598, volgens tarief II);
- nakosten:
€ 173, plus verhoging als het vonnis wordt betekend
Totaal: € 1.070
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Tussentijds hoger beroep?
2.8.
Voor het geval de rechtbank beslist dat zij bevoegd is van de vorderingen van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] kennis te nemen, verzoekt Trannel tussentijds hoger beroep van dit vonnis open te stellen. Zij betoogt daartoe, samengevat, dat een inhoudelijke beoordeling achterwege kan blijven, als blijkt dat de rechtbank niet bevoegd is. [eiser hoofdzaak/verweerder incident] bestrijdt de gegrondheid van dit verzoek.
2.9.
Op grond van artikel 337 Rv Pro geldt als uitgangspunt dat van een tussenvonnis zoals hier aan de orde, hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld. Dit heeft als reden dat het tussentijds aanwenden van rechtsmiddelen leidt tot vertraging van de procedure en daarom als regel achterwege dient te blijven. Processuele doelmatigheid is in beginsel geen grond voor een uitzondering op deze hoofdregel. [1]
Voor een zodanige uitzondering is - met het oog op de rechtszekerheid - slechts ruimte indien bijzondere procesrechtelijke redenen daartoe nopen. In dit geval ziet de rechtbank dergelijke bijzondere redenen niet. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
In de hoofdzaak
2.10.
[eiser hoofdzaak/verweerder incident] verzoekt om geen conclusie van antwoord meer toe te staan, althans een termijn van twee weken te geven voor een conclusie van antwoord, omdat Trannel de procedure onredelijk heeft vertraagd. Trannel heeft, ondanks dat zij de beschikking heeft over Nederlandse advocatenkantoren, geweigerd om domicilie te kiezen aan het adres van de behandelend advocaat, in de wetenschap dat vanuit Malta geen certificaten van betekening worden teruggestuurd. Dit levert al mogelijk zes maanden vertraging op. Ondanks dat Trannel een behandelend advocaat had, heeft zij geen advocaat gesteld op de eerst dienende dag en pas vlak voor de voor het verstekvonnis bepaalde datum het verstek gezuiverd. Vervolgens heeft Trannel geen conclusie van antwoord genomen, maar eerst een (kansloos) bevoegdheidsincident opgeworpen. Zij had het incident ook gelijktijdig met het inhoudelijke verweer kunnen opwerpen, aldus nog steeds [eiser hoofdzaak/verweerder incident].
2.11.
In deze zaak is verstek verleend op 19 juli 2023, één week na de eerst dienende dag. In zoverre is er vrijwel geen sprake van vertraging. Dat Trannel pas later is verschenen en eerst een bevoegdheidsincident heeft opgeworpen, is procesrechtelijk toegestaan en levert geen onredelijke vertraging op. Dat het bevoegdheidsincident op voorhand kansloos was, is niet gebleken. Er is dan ook geen grond om Trannel nu niet de gebruikelijke termijn voor een conclusie van antwoord te geven.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af;
3.2.
veroordeelt Trannel in de proceskosten, aan de zijde van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] begroot op
€ 1.070, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Trannel niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet Trannel
€ 90 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.3.
veroordeelt Trannel in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
In de hoofdzaak
3.5.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 14 februari 2024 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2024. [2]

Voetnoten

1.HR 14 juli 2006, ECLI:NL:2006:AV9442.
2.type: 1554