ECLI:NL:RBDHA:2024:5406

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2024
Publicatiedatum
16 april 2024
Zaaknummer
NL24.13731
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 24 maart 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is gebaseerd op zware gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht, alsmede lichte gronden zoals het niet naleven van verplichtingen en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend. Tijdens de zitting van 9 april 2024, gehouden via beeldverbinding, heeft de rechtbank het beroep behandeld waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de door de staatssecretaris aangevoerde gronden voor de maatregel van bewaring voldoende zijn onderbouwd en niet zijn bestreden door eiser. Ook is geoordeeld dat het opleggen van een lichter middel niet passend is gezien het risico op onttrekking aan toezicht en de individuele omstandigheden van eiser, waaronder het ontbreken van legale reisdocumenten.

Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13731

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat eiser de zware grond 3a en de lichte grond 4a niet heeft bestreden. Deze gronden kunnen samen de maatregel van bewaring dragen. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
2. Ook de beroepsgrond dat ten onrechte geen lichter middel is opgelegd slaagt niet. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de staatssecretaris zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat het lichter middel niet opweegt tegen het risico op onttrekking zoals volgt uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. De staatssecretaris heeft daarbij voldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden die door eiser naar voren zijn gebracht. Zoals de staatssecretaris namelijk heeft toegelicht, kan eiser ondanks zijn bereidheid daartoe niet zelfstandig naar Duitsland vertrekken, omdat hij geen documenten heeft waarmee hij legaal kan uitreizen. Dat eiser bereid is zelfstandig te vertrekken heeft dus geen aanleiding hoeven vormen voor het toepassen van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.