Een Oekraïense derdelander heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt. De staatssecretaris had eerder meegedeeld dat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 van rechtswege zou eindigen, en had een terugkeerbesluit genomen dat inmiddels is ingetrokken vanwege een verblijfsvergunningaanvraag.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en wijst het toe zonder zitting, op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorlopige voorziening houdt in dat verzoeker wordt behandeld alsof hij nog onder de Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter baseert zich mede op eerdere voorlopige voorzieningen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd bepaald dat vreemdelingen niet worden uitgezet zolang prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU worden afgewacht. Ook wordt de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van € 875,- voor de rechtsbijstand van verzoeker.
De uitspraak is bindend voor de duur van de procedure en er is geen hoger beroep mogelijk.