ECLI:NL:RBDHA:2024:5472
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij dochter gegrond, rechtsgevolgen in stand gelaten
Eiseres, een vrouw met de Belarussische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar dochter in Nederland. De aanvraag werd door verweerder afgewezen op grond van onvoldoende gezins- en familiebanden en een negatieve belangenafweging volgens artikel 8 EVRM Pro.
Na meerdere procedures oordeelde de rechtbank dat verweerder de belangenafweging onjuist had gemotiveerd, met name ten aanzien van de objectieve belemmering door het inreisverbod van de schoonzoon en de inspanningen van het gezin om werk te vinden. Verweerder nam deze punten in het bestreden besluit opnieuw mee, maar bleef bij de afwijzing omdat het economisch belang, de intensiteit van het gezinsleven en het restrictieve toelatingsbeleid negatief uitvielen.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de objectieve belemmering slechts licht meeweegt en dat gezinsleven op afstand mogelijk is. Ook de economische situatie van het gezin en de zorg voor de kleinkinderen rechtvaardigen geen positieve belangenafweging. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege een procedureel gebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens onjuiste belangenafweging, maar rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.