Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen de GI,
Rechtbank Den Haag
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2019, vanwege zorgen over onrust en onveiligheid in zijn opvoedomgeving. De minderjarige vertoonde ongeremd gedrag zoals bijten, slaan en schreeuwen, en was uitgevallen op het reguliere onderwijs. Hoewel de moeder de zorgen betwistte en geen hulpverlening noodzakelijk achtte, was het diagnostisch onderzoek bij PEP-junior nog niet gestart.
De kinderrechter nam de stukken en de mondelinge behandeling in overweging, waarbij ook de vader zijn situatie toelichtte na een afkickkliniek. De rechter constateerde dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling waren vervuld, gezien de onrustige opvoedomgeving, het gedrag van de minderjarige en het ontbreken van adequate hulpverlening. De prille schoolgang moet gemonitord worden om negatieve ervaringen te voorkomen.
De kinderrechter achtte een ondertoezichtstelling noodzakelijk om zicht te houden op de ontwikkeling, het gedrag te onderzoeken en hulpverlening in te zetten. De duur van een jaar werd passend geacht om de benodigde stappen te kunnen zetten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige onder toezicht gesteld van 27 maart 2024 tot 27 maart 2025.
Uitkomst: Minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor een jaar om ontwikkeling en gedrag te monitoren en hulpverlening mogelijk te maken.