ECLI:NL:RBDHA:2024:5541

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2024
Publicatiedatum
17 april 2024
Zaaknummer
C/09/663125 / JE RK 24-482
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van kwetsbare minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een prematuur en dysmatuur geboren minderjarige, vanwege zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van het kind. De moeder en vader zijn betrokken, waarbij de moeder moeite heeft met het opvolgen van adviezen en de ouders ruzie maakten in het bijzijn van het kind. De vader vertoonde agressief gedrag richting hulpverlening en moeder.

De minderjarige verblijft momenteel in een netwerkpleeggezin bij familie van moederszijde, waar hij zich goed ontwikkelt. De Raad en de gecertificeerde instelling onderschrijven het verzoek en benadrukken het belang van een korte intensieve gezinsopname om de draagkracht en opvoedvaardigheden van de moeder en haar familie te beoordelen.

De moeder betwist dat zij onvoldoende opvoedvaardigheden heeft en stelt dat de hulpverlening vrijwillig kan worden voortgezet. De vader staat niet achter de gezinsopname met de familie van moederszijde vanwege conflicten.

De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de wettelijke grond voor ondertoezichtstelling is vervuld en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is ter bescherming van het kind. De beschikking wordt toegewezen en de maatregelen worden voor de duur van drie maanden vastgesteld, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderrechter wijst de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe voor de duur van drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/663125 / JE RK 24-482
Datum uitspraak: 27 maart 2024
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.L. van Lookeren Campagne te Wassenaar,
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader], hierna te noemen de vader.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2024 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 29 maart 2024 en voor dezelfde duur machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- de beschikking van 18 maart 2024.
1.3.
Op 27 maart 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] , een vertegenwoordiger van de Raad;
- [naam 2] en [naam 3] , vertegenwoordigers van de GI.

2.Het verzoek

2.1.
De Raad verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden.
Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht. [minderjarige] is prematuur en dysmatuur geboren. Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis zijn er grote zorgen naar voren gekomen over de leerbaarheid en het inzicht van de moeder en de relatie tussen de ouders. De ouders zijn bereid om voor [minderjarige] te zorgen, maar het lukt de moeder niet altijd om de adviezen aan te nemen en aan te sluiten bij de behoeftes van [minderjarige] .
De ouders maakten ook ruzie in het bijzijn van [minderjarige] en de vader heeft agressie en dreiging laten zien richting de hulpverlening en de moeder. Door deze combinatie van zorgen en de jonge leeftijd van [minderjarige] is hij na zijn ontslag uit het ziekenhuis in een netwerkpleeggezin geplaatst om zijn veiligheid te kunnen waarborgen. De komende periode is het van belang dat, mede door middel van de gezinsopname van de moeder en [minderjarige] , gekeken wordt wat [minderjarige] nodig heeft en wat de draagkracht van beide ouders is. De verzochte maatregelen zijn nodig om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen en zicht te kunnen houden op zijn ontwikkeling.

3.De standpunten

3.1.
De GI onderschrijft het verzoek van de Raad. [minderjarige] is in een netwerkpleeggezin geplaatst bij de oom en tante moederszijde en ontwikkelt zich daar goed. De moeder en oma moederszijde staan open voor hulpverlening en middels een korte maar intensieve gezinsopname van vier dagen zal gekeken worden naar hun opvoedvaardigheden. Het is van belang dat [minderjarige] na de gezinsopname weer terug kan naar het netwerkpleeggezin tot er meer duidelijkheid is over de mogelijkheden bij de moeder en de oma moederszijde. De komende periode zal ook gekeken moeten worden naar het contact tussen de vader en [minderjarige] en de communicatie tussen de ouders. De ouders hebben inmiddels de relatie verbroken en de vader heeft nog een huis- en contactverbod.
3.2.
Door en namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij alles voor [minderjarige] wil doen en de verzorging samen met de oma moederzijde op zich wil nemen. De advocaat heeft naar voren gebracht dat er geen sprake is van een acute en ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Er staan feitelijke onjuistheden in het rapport van de Raad en de moeder betwist dat zij de adviezen over de verzorging van [minderjarige] niet opvolgt. De moeder beschikt over voldoende opvoedvaardigheden en is bereid om daar hulpverlening voor te aanvaarden. Bovendien wordt de moeder ook intensief geholpen door de oma moederszijde. De moeder heeft de afgelopen periode de relatie met de vader beëindigd, waardoor er geen sprake meer is van dreiging van de vader. De moeder wil overal aan meewerken, waaronder de gezinsopname, waardoor de hulpverlening op vrijwillige basis kan worden voortgezet en het gedwongen kader niet meer nodig is. De advocaat verzoekt daarom om afwijzing van de verzochte maatregelen.
3.3.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij vertrouwen heeft in een gezinsopname van de moeder en [minderjarige] , maar dat hij niet achter een opname staat met de oma moederszijde. Er is sprake van onenigheid tussen de oma moederszijde en de vader en zij hebben ook een contactverbod. De vader wil goed contact kunnen hebben met [minderjarige] en een goede vader voor hem kunnen zijn. Hij is dat ook voor zijn andere kinderen. Hij vindt de verzochte maatregelen niet nodig.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling komt de kinderrechter tot het oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
4.2.
De kinderrechter overweegt daartoe dat [minderjarige] een meer dan gemiddelde kwetsbare baby is waar verschillende zorgen over zijn omtrent zijn veiligheid en ontwikkeling. Hij is prematuur en dysmatuur geboren, waardoor hij extra zorg nodig heeft. Daarnaast zijn er zorgen over de leerbaarheid en opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder is bereid om voor [minderjarige] te zorgen en de hulpverlening te aanvaarden, maar er wordt gezien dat het haar niet altijd lukt om de instructies op een adequate manier op te volgen en aan te kunnen sluiten bij de behoeftes van [minderjarige] . Verder zijn er veel spanningen tussen de ouders en hebben zij ruzie gemaakt in het bijzijn van [minderjarige] . Inmiddels is de relatie verbroken, maar er zijn nog veel onduidelijkheden hoe de ouders het ouderschap op een goede manier onderling kunnen invullen. Op dit moment verblijft [minderjarige] in een netwerkpleeggezin waar hij zich goed ontwikkelt en zijn veiligheid gewaarborgd wordt. Middels een korte maar intensieve gezinsopname van de moeder, de oma moederszijde en [minderjarige] zal er in de komende periode meer duidelijkheid komen over de opvoedbehoeftes van [minderjarige] en de draagkracht en leerbaarheid van de moeder en oma moederszijde. Ook welke mogelijkheden er zijn voor de moeder om de verzorging met hulp van anderen op zich te nemen. De kinderrechter zal de verzochte maatregelen daarom toewijzen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 29 maart 2024 tot 15 juni 2024;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 29 maart 2024 tot 15 juni 2024;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
- door de verzoekers en de degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.