ECLI:NL:RBDHA:2024:5580
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid risico vrouwenbesnijdenis en uithuwelijking dochters
Eiseres, van Zimbabwaanse nationaliteit, vroeg asiel aan vanwege de vrees dat haar ex-man haar dochters zal laten besnijden en uithuwelijken. Zij stelde dat zij en haar dochters uit Zimbabwe waren vertrokken om deze risico's te ontlopen.
De staatssecretaris achtte de eerste fase van besnijdenis geloofwaardig, maar vond dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een vervolgfase of uithuwelijking zou plaatsvinden. De rechtbank volgde dit standpunt en benadrukte dat eiseres niet duidelijk kon maken hoe haar ex-man meer macht zou hebben dan de overheid of waarom de beschermende maatregelen niet effectief zouden zijn.
De rechtbank overwoog dat de dochters beschermd worden door de Zimbabwaanse wetgeving die vrouwenbesnijdenis en kindhuwelijken verbiedt, en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat deze bescherming tekortschiet. Ook was niet gebleken dat de begeleide omgang met de ex-man na het overlijden van diens broer niet voortgezet kon worden.
Gelet op deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat het risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro onvoldoende aannemelijk is gemaakt en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van het risico op vrouwenbesnijdenis en uithuwelijking van haar dochters.