ECLI:NL:RBDHA:2024:5626
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid vrouwenbesnijdenis en uithuwelijking in Zimbabwe
Eiseres, een vrouw met de Zimbabwaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel uit vrees voor vrouwenbesnijdenis en gedwongen uithuwelijking door haar vader en diens familie. Zij legde aan haar verzoek ten grondslag dat haar ouders gescheiden zijn en dat zij sinds 2018 bij haar moeder woont, die tegen besnijdenis is. De staatssecretaris wees haar aanvraag af omdat de vrees niet voldoende aannemelijk werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat haar vader nog invloed op haar uitoefent of dat er een reëel risico is op verdere besnijdenis of uithuwelijking. Daarbij werd meegewogen dat vrouwenbesnijdenis en kindhuwelijken in Zimbabwe wettelijk verboden zijn en dat eiseres sinds 2018 beschermd wordt door haar moeder. De rechtbank vond dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt waarom zij geen beroep kan doen op de bescherming van de Zimbabwaanse autoriteiten.
Ook de stelling dat vrouwen in Zimbabwe als sociale groep onder het VN Vluchtelingenverdrag bescherming verdienen, werd verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en verklaarde het beroep af te wijzen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep op asiel wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van het risico op vrouwenbesnijdenis en uithuwelijking.