ECLI:NL:RBDHA:2024:5634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2024
Publicatiedatum
18 april 2024
Zaaknummer
Awb 22.3864
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar verblijfsvergunning zelfstandige

Eiser diende op 21 april 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel arbeid als zelfstandige. De staatssecretaris nam de aanvraag bij besluit van 2 juni 2022 niet in behandeling. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit op 21 juni 2022, waarna de staatssecretaris het bezwaar bij besluit van 2 augustus 2022 niet-ontvankelijk verklaarde.

Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek zonder zitting en overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld wordt met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.

Gezien het feit dat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan in het beroep onder zaaknummer AWB 22/5280, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/3864

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [v-nummer]
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. Eiser heeft op 21 april 2022 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), ingediend. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ bij besluit van 2 juni 2022 niet in behandeling genomen.
2. Eiser heeft op 21 juni 2022 een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft de eiser op 22 juni 2022 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Verweerder heeft bij besluit van 2 augustus 2022 (het bestreden besluit) het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

5. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan een voorlopige voorziening treffen tegen een besluit waarbij, voorafgaand aan beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt. [1]
6. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld om beroep bij de bestuursrechter in te stellen, indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt en op dit bezwaar wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden. [2] Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.
7. Verweerder heeft bij besluit van 2 augustus 2022 op het bezwaar van eiser beslist. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
8. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer AWB 22/5280 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, op 10 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.