De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 11 april 2024 uitspraak gedaan over het verzoek tot voorlopige voorziening van verzoekster tegen de sluiting van haar woning in Zoetermeer. De burgemeester had de woning gesloten voor zes weken vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs en vermoedelijke drugshandel.
Verzoekster betoogde dat zij geen weet had van de drugs, haar relatie met de betrokken persoon had verbroken en dat de sluiting nadelig zou zijn voor haar en haar minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter stelde vast dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van de Opiumwet en het Damoclesbeleid, mede gezien eerdere waarschuwingen en observaties van drugshandel.
De rechter oordeelde dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en evenredig is, mede omdat de duur van zes weken korter is dan de maximaal mogelijke twaalf maanden. Verzoekster had geen bijzondere binding met de woning en er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Vervangende woonruimte was geregeld, zodat geen dreigende dakloosheid bestond.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af, waardoor de sluiting van de woning voor zes weken gehandhaafd blijft. De uitspraak is bindend voor het bodemgeding niet, en er is geen hoger beroep mogelijk.