Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Albanese gemeenschapsonderdaan, kreeg in 2016 een verblijfsdocument op basis van zijn gezinsleven met een referent. In 2022 stelde de staatssecretaris vast dat het verblijfsrecht van eiser van rechtswege was geëindigd omdat de referent niet meer voldeed aan het middelenvereiste. Eiser maakte bezwaar en overhandigde bewijsstukken. Na onderzoek door de Arbeidsinspectie concludeerde de staatssecretaris dat sprake was van een gefingeerd dienstverband met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde in een eerdere uitspraak dat het bezwaar opnieuw moest worden beoordeeld. Na aanvullende stukken van eiser handhaafde de staatssecretaris het besluit. Eiser stelde dat hij niet gehoord was en verwees naar jurisprudentie over hoorplicht en bestaansmiddelen. De rechtbank stelde vast dat eiser voldoende gelegenheid had gehad zich te verweren en dat hij niet voldeed aan het middelenvereiste omdat het dienstverband gefingeerd was en de inkomsten niet duurzaam waren.
De rechtbank concludeerde dat het besluit rechtmatig was en dat eiser geen voortgezet verblijfsrecht toekwam. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak benadrukt het belang van het middelenvereiste en de toetsing van de feitelijke aard van dienstverbanden in verblijfsrechtzaken.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verblijfsrecht wordt beëindigd wegens een gefingeerd dienstverband en het niet voldoen aan het middelenvereiste.