Eiser diende op 31 augustus 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf met het doel verblijf als familie- of gezinslid bij een referent. Na het uitblijven van een besluit stelde eiser de staatssecretaris bij brief van 30 juni 2023 in gebreke. Vervolgens stelde eiser op 19 december 2023 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank constateert dat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, heeft beslist. De ingebrekestelling was rechtsgeldig en de termijn van twee weken na ingebrekestelling was verstreken toen het beroep werd ingesteld. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk gegrond en draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500,-. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50.