Verweerder heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning naast een perceel in Den Haag en het realiseren van een in- en uitrit. Eiser, bewoner van het aangrenzende perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door verweerder ongegrond werd verklaard. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank beoordeelde dat de aanvraag en vergunning betrekking hadden op een specifiek bouwplan met een hal aangeduid als “0.09 Hal/Onbenoemde ruimte”. De feitelijk gerealiseerde afwijking, een winterkamer die vergunningvrij zou zijn gebouwd, maakte geen onderdeel uit van het aangevraagde bouwplan en kon daarom niet in deze procedure worden beoordeeld. De rechtbank oordeelde dat de vergunning terecht was verleend, omdat geen van de limitatief genoemde weigeringsgronden van artikel 2.10 Wabo van toepassing waren.
Hoewel eiser stelde dat het welstandsadvies onvoldoende was gemotiveerd en dat het beeldkwaliteitsplan niet was gevolgd, concludeerde de rechtbank dat deze bezwaren betrekking hadden op het feitelijk gerealiseerde bouwplan en niet op het aangevraagde bouwplan. De rechtbank zag geen reden om het bestreden besluit te vernietigen.
De rechtbank veroordeelde verweerder wel tot vergoeding van de proceskosten van eiser, omdat er onduidelijkheid bleef bestaan over welk bouwplan was aangevraagd en vergund. De rechtbank wees erop dat over de feitelijke situatie met de winterkamer een aparte handhavingsprocedure mogelijk is.