ECLI:NL:RBDHA:2024:5861
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak poging tot verkrachting wegens onvoldoende bewijs van dwang
Op 11 april 2024 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte geboren in 2008, die werd verdacht van poging tot verkrachting en aanranding op 11 januari 2022 op een middelbare school in Rijswijk.
De tenlastelegging betrof onder meer het vastpakken, meevoeren naar een toiletruimte, het op slot doen van een toilethokje, het leggen van een hand op de mond van het slachtoffer, het naar beneden trekken van haar broek en onderbroek, en het proberen binnendringen van de vagina met het geslachtsdeel en een vinger. Het slachtoffer verklaarde dat zij tegenstribbelde en dat deze handelingen tegen haar wil waren.
De rechtbank oordeelde dat voor een bewezenverklaring van verkrachting of aanranding dwang door geweld of een andere feitelijkheid vereist is. Hoewel het NFI DNA van de verdachte op het slachtoffer aantrof, bood dit geen bewijs voor dwang. Ook het lichamelijk onderzoek en camerabeelden toonden geen sporen van geweld of dwang. De verklaring van het slachtoffer stond onvoldoende in verband met ander bewijs om het bewijsminimum te halen.
De verdachte werd daarom vrijgesproken. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd afgewezen wegens de vrijspraak, en de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging, die nihil werden begroot.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van dwang bij poging tot verkrachting en aanranding.