Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
3.De beoordeling
4.De beslissing
22 april 2024.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Den Haag die betrokken zijn bij zijn strafzaak wegens witwassen. Verzoeker stelde dat de rechtbank onredelijk weinig tijd gaf om onderzoekswensen te formuleren na een wijziging van de tenlastelegging en dat de voorzitter van de kamer eerder betrokken was bij een veroordeling van hem.
De wrakingskamer oordeelde dat een procesbeslissing, zoals het toewijzen van de wijziging van de tenlastelegging en het beperken van de voorbereidingstijd, geen grond voor wraking kan zijn. Ook was er geen sprake van vooringenomenheid of de objectieve schijn daarvan, mede omdat de wijziging al drie weken voor de zitting was aangekondigd en verzoeker voldoende gelegenheid had om zich voor te bereiden.
Ten aanzien van de voorzitter werd geoordeeld dat hij elke zaak op zijn eigen merites beoordeelt en dat de eerdere veroordeling in een andere strafzaak met een andere samenstelling van de kamer en een andere periode geen aanleiding geeft tot het vermoeden van partijdigheid.
De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek ongegrond is en wees het af. Het proces wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan vooringenomenheid.