ECLI:NL:RBDHA:2024:5932

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
23 april 2024
Zaaknummer
NL24.5382
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis

Eiseres diende op 7 maart 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde zij de staatssecretaris in gebreke en stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het eerste beroep gegrond en gaf de staatssecretaris een termijn van acht weken om alsnog te beslissen. Toen ook binnen deze termijn geen besluit volgde, stelde eiseres opnieuw beroep in.

De staatssecretaris diende geen verweerschrift in, waardoor de rechtbank zonder zitting uitspraak kon doen. Op grond van vaste jurisprudentie is bij een opvolgend beroep geen nieuwe ingebrekestelling vereist. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is omdat de staatssecretaris nog steeds niet heeft beslist.

De rechtbank legt de staatssecretaris op binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom van € 200 per dag vertraging tot een maximum van € 15.000. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen en een dwangsom te betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5382

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Inleiding

1. Eiseres heeft op 7 maart 2023 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
1.1.
Bij brief van 10 oktober 2023 heeft eiseres de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
1.2.
Op 31 oktober 2023 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 14 december 2023 [1] heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag van eiseres bekend dient te maken.
1.3.
Eiseres heeft vervolgens op 13 februari 2023 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
1.4.
De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend.
1.5.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geen nieuwe ingebrekestelling vereist [2] .
4. De staatssecretaris heeft niet binnen de eerder door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de aanvraag van eiseres. Het beroep is daarom gegrond.
5. Omdat de staatssecretaris nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 volgt dat bij het bepalen van de lengte van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter mag geen termijn stellen waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan die niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. De rechtbank is bekend met de grote achterstanden bij het beslissen op nareisaanvragen en bezwaarschriften in nareisprocedures bij de staatssecretaris. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eiseres.
6. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in het door eiseres betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van
€ 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiseres een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL23.34416
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:774