ECLI:NL:RBDHA:2024:5949
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen.
De aanvraag werd ingediend op 6 oktober 2022 en verweerder had uiterlijk op 6 april 2023 moeten beslissen. Na het verstrijken van deze termijn zonder besluit heeft eiseres verweerder op 13 april 2023 in gebreke gesteld en op 10 mei 2023 het beroep ingesteld, dat tijdig werd geacht. De rechtbank acht het beroep kennelijk gegrond.
De rechtbank stelt dat vanwege de aard van de aanvraag sprake is van een bijzonder geval en legt op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een termijn van twintig weken op waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn geldt een dwangsom van €100 met een maximum van €7.500.
Verweerder is tevens veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442 en de proceskosten van €437,50. De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem en openbaar gemaakt op 23 april 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder moet binnen twintig weken alsnog een besluit nemen onder dreiging van een dwangsom.