ECLI:NL:RBDHA:2024:6018

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
NL24.474
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vergoeding proceskosten na niet tijdig beslissen op asielaanvraag

Verzoeker diende op 4 oktober 2021 een asielaanvraag in waarop de staatssecretaris niet tijdig besloot. Verzoeker stelde op 1 mei 2023 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en legde een beslistermijn van zestien weken op met een dwangsom. De staatssecretaris besloot echter niet binnen deze termijn. Op 5 januari 2024 stelde verzoeker opnieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Vervolgens werd de asielaanvraag alsnog ingewilligd, waarna verzoeker het beroep introk en vergoeding van proceskosten vorderde.

De rechtbank oordeelde dat het beroep terecht gegrond was en dat de staatssecretaris geheel aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog te beslissen. Op grond van artikel 8:75a Awb werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van €437,50, berekend op basis van een puntensysteem met een lichte wegingsfactor.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 24 april 2024 door rechter M.L. Weerkamp. Verzoeker kreeg hiermee een vergoeding voor de kosten van de beroepsprocedure tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €437,50 aan proceskosten na niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.474

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 4 oktober 2021 opnieuw een asielaanvraag gedaan. Verweerder heeft niet tijdig een besluit genomen. Verzoeker heeft op 1 mei 2023 (NL23.13164) beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Bij uitspraak van 29 juni 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats Middelburg het beroep gegrond verklaard en daarbij een beslistermijn van zestien weken opgelegd.
Op 5 januari 2024 heeft verzoeker opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 4 oktober 2021.
Bij besluit van 12 januari 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken, omdat verweerder alsnog aan verzoeker tegemoet is gekomen. Daarbij heeft verzoeker aan de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
2. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat, een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoeker heeft op 4 oktober 2021 opnieuw een asielaanvraag gedaan. Op 1 mei 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag. Bij uitspraak van 29 juni 2023 heeft de rechtbank en zittingsplaats dit beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag bekend te maken. De rechtbank heeft aan deze termijn een rechterlijke dwangsom verbonden van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-. Verweerder moest gelet op de uitspraak van 29 juni 2023 binnen zestien weken na die datum, dus uiterlijk 18 oktober 2023 een besluit op de asielaanvraag van verzoeker bekend maken. Dit heeft verweerder nagelaten. Op 5 januari 2024 heeft verzoeker opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag en hierna heeft verweerder de asielaanvraag ingewilligd.
5. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van verzoeker tegemoetgekomen.
6. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent) aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.